| Piet
Rogie: een portret van een choreograaf in twaalf fragmenten. De moderne dans van de grabbelton, het toeval en de kwetsbaarheid. Interview met choreograaf Piet Rogie naar aanleiding van het vijftienjarig bestaan van dansgezelschap Rogie & Company. |
||
| Het is een klein
mannetje. Een pezig lichaam en pretoogjes die je vol vuur aanstaren
maar je ook rustig kunnen gadeslaan. Hij zet thee en slurpt zelf aan
zijn koffie. Het theezakje glijdt met een soepele beweging de theepot
in. Hij lijkt zenuwachtig maar al snel blijkt dit niet het geval te
zijn. Hij zit midden in het maakproces van een nieuwe voorstelling. Hij
is niet zenuwachtig maar enthousiast, de trance van een kunstenaar die
niet kan wachten totdat zijn volgende werk af is. Over wie het gaat?
Piet Rogie: Belgische Rotterdammer annex modern danschoreograaf die al
vijftien jaar lang met zijn Company de Nederlandse danswereld bestookt
met eigenzinnige voorstellingen. We zitten aan de lunchtafel in Piets
dansstudio. Op de achtergrond is iemand met een steiger in de weer en
klinkt de muziek van LE SACRE DU PRINTEMPS, de beroemde dansmuziek van
Igor Stravinsky waar deze in 1913 samen met choreograaf Vaslaw Nijinski
de danswereld mee op zijn kop zette. Als de ochtenddrank eenmaal is
ingeschonken zit Piet er gedreven, maar rustig bij. Hij observeert zijn
omgeving met geestdrift. ´Ik werk vanuit een raar soort paradox.
Altijd is er afstand, maar vanuit die afstand ook meteen het
enthousiasme om de waargenomen wereld te transformeren, deze zo te
veranderen dat ie spannend blijft en nieuw. Afstand om je ergens in te
kunnen storten.´ Het gesprek vindt plaats naar aanleiding van het jubileumjaar van de Company. Ze bestaan in 2004 15 jaar. Genoeg reden tot feest. Bescheiden maar zonder een vorm van valsheid vertelt Piet dat hij trots is op wat hij heeft gepresteerd. ´IJdelheid is geen enkele kunstenaar of performer vreemd, het is iets wat je nodig hebt om op terug te kunnen vallen. Ik heb nu vijftien jaar in Rotterdam dans gemaakt, soms goed, soms minder goed, maar altijd vanuit de idee dat moed de motor is van alle vorm van vooruitgang.´ En vooruitgang is er: in Maart 2004 zullen Piet en zijn dansers voor het eerst een avond lang de grote zaal van de Stadschouwburg bevolken. Een jubileumvoorstelling die uit drie delen bestaat: de door Piet zelf uitgevoerde solo MONK, een eclectische terugblik op vroeger werk genaamd ECHO en een nieuwe interpretatie van de hierboven al genoemde LE SACRE DU PRINTEMPS, één van de heiligste klassiekers die de danswereld rijk is. De hele voorstelling heet SCREAMPRINTS en belooft een typische Rogie klus te worden: concrete en onopgesmukte dans die langs fragmentarische weg tot een onnavolgbaar, maar steeds boeiend geheel wordt gedirigeerd. 15 jaar is lang. Tijd voor feest, maar ook reden te over voor een terugblik. Want wat voor dans maakt Rogie eigenlijk en hoe kijkt hij tegen zijn eigen kunstenaarsschap aan? Wat boeit hem en hoe gaat hij te werk? Wat heeft vijftien jaar dans opgeleverd en wat brengt de toekomst? Een interview in 12 thematische fragmenten. |
||
1. België ´Belgen zijn scharrelaars. Ze zijn bescheiden, houden zich aan de wet, conformeren zich aan de regels die de staat ze oplegt, maar in de tussentijd scharrelen ze er lustig op los, als een stel kippen die net door hun boer gevoederd zijn. Een scharrelaar is een meester van de onzichtbaarheid, verdwijnen is zijn vak. Om vervolgens zijn ding te kunnen doen. Maar let op: dat scharrelen heeft mooie dingen opgeleverd. Het is niet alleen Dutroux wat de klok slaat. Iedere werkwijze heeft zijn keerzijde. De scharrelmethode kent zijn uitwassen maar ook zijn verworvenheden. Hugo Claus is ook een scharrelaar. Zondag naar de koers kijken, maar wel mooie boeken schrijven. België is de damp die uit een aftands frietkot omhoog dwarrelt. Het ziet er niet uit maar het zijn wel de lekkerste frieten ter wereld. Nederland heeft mij orde bijgebracht. Ik moet uitkijken om niet in stereotiepe algemeenheden te vervallen, maar toch. Kijk maar naar het landschap: in België kronkelt iedere stad zich een weg door het platteland, iedereen bouwt zijn eigen paleis zonder zich over uniformiteit of een andere vorm van universele esthetiek druk te maken. Terwijl in Nederland ieder stukje land, of het nu stedelijk is of ruraal, minutieus is uitgedacht. Dit levert minder spontaniteit op maar daardoor ook minder lelijkheid. Een archetypische Belgische kunstenaar is een chaoot, iemand die rommelt, droomt, verzamelt en altijd met zijn gedachten in de wolken loopt. Een Nederlands kunstenaar daarentegen is iemand die start vanuit de ordening. W. F. Hermans, eerst is er het idee, dan pas het boek. Sorry voor mijn literaire voorbeelden maar ik lees nu eenmaal graag boeken, net zoals ik ook graag films kijk, of moderne kunst aanschouw. Ik ben zo iemand die tegen beter weten in nog steeds denkt op alle terreinen te kunnen volgen. Ik probeer alles bij te houden, niet om op de hoogte te zijn maar om vanuit die verzameling mijn eigen werk te kunnen vormgeven. Ik heb in Nederland geleerd om op een gestructureerde manier te scharrelen, ik ben in vijftien jaar een structuurzoekende rommelaar geworden. Maar ik hou nog steeds van een Belgisch bier. Jammer dat we dit gesprek niet in de kroeg kunnen voeren. Maar zelfs voor een Belg is het een beetje te vroeg voor alcohol.´ |
||
2. Stijl ´De klassieke dansstijl is de moeilijkste die er is. Je kunt je niet verbergen. Die techniek is zo uitgekristalliseerd, het ideaal zo uitgebeend dat iedereen drommels goed weet waar de standaard ligt. Daar kun je niet aan ontsnappen, als je de techniek niet beheerst ga je op je bek. In de modernere technieken kun je je als danser verbergen en op die manier je beperkingen verhullen. In de klassieke dans is dit een onmogelijkheid. Je kunt veel zeggen over de klassieken maar niet dat ze niet kwetsbaar zijn. In de klassieke techniek is alles zichtbaar en ben je als danser aan de rauwheid van de naaktheid overgeleverd. Ik ben klassiek geschoold om de doodeenvoudige reden dat er in de jaren zeventig in België nog nauwelijks aan moderne dans werd gedaan. Het bestond nog niet. Maar ik heb daar geen spijt van. De klassieke techniek stelt mij in staat op een heldere en kwetsbare manier met mijn publiek te communiceren, ze dwingt mij iets neer te zetten wat duidelijk is en waarachter ik als choreograaf net zo naakt aanwezig ben als mijn dansers. Maar techniek is en blijft voor mij een hulpmiddel, een instrument waar je gebruik van maakt. Sommige kunstenaars kunnen goed werken vanuit een technische begrenzing. Mondriaan is in de schilderkunst een mooi voorbeeld, Merce Cunningham in de dans. Mensen die op zoek zijn naar zuivering, een zoveel mogelijk weglaten van overbodigheden. Bij Cunningham gaat dit heel ver: zijn dans is zonder emotie, zonder narratief en bijna ontdaan van elke vorm van menselijkheid. Dat vind ik knap en bewonderenswaardig maar het is niet datgene waarnaar ik op zoek ben. Ik wil juist werken vanuit de gedachte dat niets in essentie overbodig is.´ |
||
3. Fragmentatie ´De wereld is kapot, maar daardoor nog niet ongelukkig, daardoor nog niet per definitie een verrotte plek. Iets wat kapot is hoeft niet meteen tragisch te zijn, het kan ook grappig zijn of liefdevol, in de vorm van breekbaar en broos. Kunst die niet op een of andere manier kapot is, die te perfect is, te glad en te afgewerkt, wantrouw ik. Ik kan er niet in geloven. Mijn belangrijkste stijlkenmerk is fragmentatie. Ik gebruik scherven uit verschillende potjes om deze vervolgens weer op een nieuwe manier aan elkaar te lijmen. Ik zie de geschiedenis van de dans als een grabbelton: een groot reservoir waar ik met mijn handen in kan graaien, op zoek naar datgene wat ik op een bepaald moment in een voorstelling nodig heb. In mijn werk is de klassieke dans de basis maar daarboven op staat die grabbelton. Dit wil niet zeggen dat ik letterlijk citeer, je zult in mijn werk nooit klassieke dansfrases terugvinden. Het wil alleen maar zeggen dat ik werk vanuit de observatie. Ik sta buiten de wereld van de dans, kijk ernaar, doe inspiratie op en maak vervolgens datgene wat ik wil maken. Ik heb geen vooropgezet plan of doel. Ik ben geen Cunningham die start vanuit een programma en dit vervolgens uitvoert. Afstand is altijd het uitgangspunt. Om vervolgens te kunnen springen in datgene wat je hebt waargenomen. Ik werk niet vanuit een stroming of dogma. Alles wat voorhanden is mag gebruikt worden, om het toch maar in dogmatische vorm uit te drukken. Op mijn beste momenten hoop ik mogelijkheden te tonen en combinaties. Dit klinkt vaag maar is uiteindelijk waar choreograferen voor mij ruwweg op neerkomt: het op zo'n manier aan elkaar verbinden van bewegingsfragmenten dat er drama ontstaat in de vorm van liefde, ontroering, woede of angst, zonder dat deze emoties vervolgens een afgerond verhaal vertellen. Mijn ideale voorstelling zou een soort dansequivalent zijn van Fellini´s 8½: een chaotische ordening waarin ieder getoond fragment een emotie oproept zonder dat er sprake is van een rigide sturing. Ik wil mijn publiek vermaken zonder het een bepaalde kant op te sturen. Daar was Fellini een meester in. En die Mastroianni is misschien als regisseur een beetje de weg kwijt, maar hij is zeker geen sukkel. Dans maken is emotie opwekken door bewegingen op allerhande manier aan elkaar te koppelen. Deze combinaties kunnen op verschillende manieren gestructureerd worden: door contrastwerking, door muzikale ordening of door een thema vanuit verschillende invalshoeken te tonen. Als ik een voorstelling over vriendschap maak wil ik niet één soort vriendschap laten zien maar zo veel mogelijk vormen en bewegingen waaruit deze als een verscheidenheid opbloeit. Ik wil nooit één zienswijze tonen maar altijd een veelheid aan perspectieven.´ |
||
4. Toeval ´Veel van mijn dansvoorstellingen zijn pogingen om het toeval ergens een mogelijkheid te geven, of in ieder geval een zoektocht naar een methode om het toeval zijn gang te laten gaan. Het niet op te sluiten in een strak aangetrokken korset, maar het de vrije loop te laten. De paradox is natuurlijk dat je als choreograaf uiteindelijk toch een vormgever bent en dus altijd iemand die het toeval uitbant. Een totaal toevallige voorstelling bestaat niet. Maar je kunt wel proberen om die randvoorwaarden te creëren waarbinnen het toeval kan floreren. Ik wil het liefst dat mijn dansers aan het publiek laten zien dat ze niet alleen een bepaalde dansmogelijkheid uitvoeren maar dat ze daardoor ook een heleboel andere mogelijkheden uitsluiten. Ik wil dat ze dansen alsof ze het ter plekke verzinnen, alsof ze niets hebben ingestudeerd. Het zou fijn zijn als mijn dansers in staat zouden zijn om continu aan het publiek te laten zien dat ze alle kanten opkunnen, dat ze nergens aan gebonden zijn en over een totaal soort vrijheid beschikken, ook al zitten ze natuurlijk in een door mij geregisseerde choreografie opgesloten. Ik wil de keuze zelf verbeelden, niet slechts het resultaat van een keuze. Op deze manier begeef je je echter wel op glad ijs. Dat realiseer ik me ten zeerste. Jacques Brel zingt in zijn chanson DE BURGERIJ: ´Maar ik de super arrogante, ik dacht dat ik mezelf kon zijn.´ Ik wil dans maken die er natuurlijk en echt uitziet, compleet met alle toevalligheid en spontaniteit die erin de menselijke natuur verborgen zit, maar wat is er arroganter dan te denken dat je deze echtheid kunt vervalsen. Ik wil niets verhullen maar weet tegelijkertijd dat dit een onmogelijkheid is. Alle kunst is en blijft schijn.´ |
||
5. Autoriteit ´Ik kan niet tegen autoriteit. Nooit gekund. Er zijn twee dingen waar ik niet mee overweg kan: religie en militarisme. Van militairen neem ik niets aan, behalve misschien in oorlogstijd, maar dan waarschijnlijk nog niet. Ik heb een sterk ontwikkelde individualiteit waarin een grote dosis trots verankerd zit. Ik kan zelf nadenken en hoef dus van niemand iets aan te nemen. Maar dat wil niet zeggen dat ik dat niet doe. Ik heb mijn eigenwaarde, maar tegelijkertijd hou ik van de menselijke dialoog en weet ik dat je alleen via en van anderen iets kunt leren. In mijn carrière als choreograaf zie je een bepaalde ontwikkeling van iemand die perse alles in eigen hand wil houden naar iemand die de teugels kan laten vieren. Dit geldt ook voor de samenwerking met mijn dansers. In mijn laatste werk geef ik ze behoorlijk veel vrijheid, waardoor dit werk een speciaal soort karakter krijgt. Het ziet er minder gestileerd uit, minder netjes. Dat is natuurlijk ook een manier om dichter bij die onopgesmuktheid te komen waar ik het zojuist over had. Als je het toeval een plaats wil geven zul je de regie in je voorstelling moeten laten vieren.´ |
||
6. Politiek ´Mijn werk is nooit politiek geëngageerd geweest, in de zin dat het met veel pathos een bepaalde boodschap verkondigt. Ik begrijp niets van politiek, en het politieke spel, het gekonkel en getouwtrek, charmeert me niet. Ik hou niet van vingertjes in de kunst en vindt dat moralisme en kunst maar moeilijk samengaan. Wat ik wel probeer te doen is mijn publiek op één of andere manier te tonen dat geen enkel systeem absoluut en statisch is. Veel van mijn voorstellingen zijn gestructureerd langs het principe van opbouw en afbraak. Ik bouw systemen van beweging om deze vervolgens weer net zo hard af te breken. Op een bepaalde manier zit hier wel een politiek idee achter, namelijk dat ieder systeem, als het te lang in een statische vorm macht uitoefent, uiteindelijk schade berokkent. Aan de hand van dans probeer ik te laten zien dat iedere vorm van stilstand een vorm van terreur in de hand werkt. Daarom zijn mijn voorstellingen ook altijd open van karakter, en zonder duidelijk begin en eind. Geen enkel systeem mag zo lang blijven bestaan dat het een te strakke vorm van autoriteit wordt. Ieder te absoluut systeem kan heel gemakkelijk verworden tot een machine die nog slechts pijn produceert. Samen met het verwijt dat mijn voorstellingen te gefragmenteerd zijn krijg ik echter van critici en kenners ook vaak te horen dat mijn werk te veel spielerei is. Ze bedoelen daarmee dat het ook ergens heel gemakkelijk is om de hele tijd maar mogelijkheden te tonen, zonder je te branden aan een duidelijke eigen stijl of uitspraak. Het is leuk om voortdurend twee kanten van dezelfde medaille te laten zien en duizend en één verschillende invalshoeken ten aanzien van een bepaald thema te tonen, maar wat vindt die Piet Rogie er nu eigenlijk zelf van? Critici missen soms een duidelijke handtekening onder mijn werk. Ze zouden graag zien dat mijn werk explicieter één bepaalde kant op zou evolueren, in plaats van steeds maar weer opnieuw te beginnen. Hier hebben ze gedeeltelijk gelijk in. Vandaar dat ik dit vijftienjarig jubileum ook heb uitgeroepen tot een jaar van bezinning. Maar daar kom ik zo nog op terug. Als het op politiek aankomt, ben ik met de Sacre een nieuwe richting ingeslagen. Dat wil ik wel verklappen. Dit klassieke dansstuk is een politiek beladen sage. Het gaat over een lenterite waarin een meisje wordt geofferd om de lente snel en met veel warmte en regen te laten beginnen. Het is het verhaal van het individu dat ten bate van de gemeenschap wordt geofferd. In mijn interpretatie speelt de notie van het offer een belangrijke rol. Offeren heeft voor mij altijd iets te maken met het behoud van controle. Door een offer te plegen denkt men de toevalligheid van de omstandigheden iets minder toevallig te kunnen maken. Op deze manier worden er vandaag de dag nog steeds offers gepleegd. Hoe vaak wordt er geen geweld gebruikt met als doel om de orde te bewaren, zoals dat zo mooi heet. Mensen willen dat de toekomst verloopt zoals zij die gepland hebben. Als ze zien dat dat niet gebeurt moeten er drastische maatregelen worden uitgevoerd waar altijd slachtoffers bij vallen. Vandaar dat mijn voorstelling van de Sacre visueel ondersteund zal worden door hedendaagse offers: Rodney King die wordt mishandeld, brandstapels van duizenden BSE koeien, zwarte boeren die in Zimbabwe een blanke boer doodknuppelen, dat soort beelden. Allemaal voorbeelden van geweldpleging die voortkomt uit het feit dat mensen bepaalde spontane veranderingen niet willen accepteren en daardoor in het defensief treden.´ |
||
7. Kluizenaar ´Ik heb het al gezegd. Bezinning. Dat is naast het woord feest de term die het meest op het komende jubileumjaar van toepassing is. Bezinning, eenzame opsluiting, reiniging, zuivering, allemaal termen die horen bij het beroep van kluizenaar. Je afwenden van de wereld, het liefst al je zintuigen uitzetten, alles wat je al hebt gedacht overboord zetten en vanuit de leegte het meest essentiële proberen te denken, dat is het beeld dat ik me bij een kluizenaar voorstel. In mijn solo Monk, het beginstuk van de jubileumvoorstelling, probeer ik een dansende kluizenaar gestalte te geven. Maar hoe danst iemand die alleen maar denkt? Zelf kan ik in het dagelijks leven heel goed kluizenaarsgedrag vertonen. Ik kan dagen achtereen schilderen of door de bossen lopen. Al wil ik dan natuurlijk wel dat om 6 uur mijn eten op tafel staat. Laat het mijn vrouw niet horen. Nee, zonder gekheid, ik kan een kluizenaar zijn maar dan moeten de randvoorwaarden van het bestaan wel aanwezig zijn. Ik zou nooit of te nimmer een autarkische kluizenaar kunnen zijn. Maar wie kan dat wel? Daar komt bij dat ik het hooguit een paar weken kan volhouden, het moet niet te lang duren. Daarna moet ik weer contact leggen met de wereld om me heen. Naast tijd voor reflexie ben ik ook iemand die niet zonder de sociale component van het bestaan kan. Ik heb ten slotte drie opgroeiende kinderen. Het is voor het eerst sinds een paar jaar dat ik weer zelf op de planken sta. Dat is wel een raar gevoel. Met het repeteren merk ik dat ik niemand in mijn buurt kan velen. Als er iemand binnenkomt dan houdt het op. Ik kan even geen pottekijkers gebruiken, ik wil in mezelf kruipen en dan zien wat er gebeurt. Deze solo is een pas op de plaats, een antwoord op de vraag waar ik nu helemaal mee bezig ben, of misschien geen antwoord, maar dan toch zeker een reflexie op het verleden en een poging om in de toekomst een nieuwe weg in te slaan. Je kunt Monk ook zien als een onderzoek naar minimale dans, ik probeer met zo weinig mogelijk toch iets te vertellen. Ik wil mijn manier van dansen herleiden tot het dunste lijntje waarop je nog kunt koorddansen. Hoe dat er dan vervolgens uitziet? Ik kan wel verklappen dat het het meest ronde stuk is dat ik tot nu toe heb gemaakt, en daarmee dus het minst klassiek. Veel kluizenaars sluiten zichzelf op om een bepaalde waarheid met hun gedachten beet te pakken. Ze denken met een universeel doel voor ogen. Denk aan de filosoof Descartes die alle bestaande kennis nietig verklaart, alleen maar om die ene waarheid de kans te geven zich in zijn brein te laten manifesteren. ´Ik denk, dus ik ben´, om vervolgens op die waarheid een nieuw systeem te bouwen. Dat is niet voor mij weggelegd. Ik geloof niet in systemen en wil ze ook niet bouwen. Maar aan de andere kant: in de afgelopen vijftien jaar is mijn systeem het afbreken van systemen geweest, en dat is natuurlijk ook een systematiek. Vandaar die bezinning. Ik wil iets anders. Ik speel de kluizenaar met als doel om een nieuwe weg in te slaan, ik probeer een vluchtroute uit mijn eigen systematiek te vinden. Ik wil minder rommel en weer meer een stempel van Rogie, minder fragmentatie en meer begin en einde. Ik wil voorzichtig gaan proberen om de keuze niet alleen bij het publiek neer te leggen maar ze zelf iets te vertellen. Iets wat van Rogie is, iets waar ik achter sta. Het probleem is dat ik wel weet wat ik wil vertellen, daar heb ik het lef nu wel voor, maar ik weet nog niet hoe ik het wil vertellen. Daarom moet ik mijn methodiek versterken, vernauwen en vereenvoudigen. Ik zal stijlvaster moeten worden. Kijk, ik weet nu dat alles relatief is, en die relativiteit heb ik op alle mogelijke manieren in mijn dans onderzocht, maar wat dan? Wat komt daarna? Wordt het dan niet eens tijd om het heft in eigen hand te nemen en te zeggen: o.k. een medaille heeft twee kanten, maar ik vind deze kant eigenlijk veel mooier. Stelling durven nemen, dat wordt de volgende stap. Ik zou graag een voorstelling maken waar weer een duidelijke handtekening van Rogie onderstaat, in plaats van een krabbel van het publiek.´ |
||
8. Keuzevrijheid ´Mijn dansvoorstellingen zijn toegankelijk maar vragen tegelijkertijd veel van de toeschouwers. Je kunt bij mij niet lekker achterover hangen en vervolgens vermaakt worden. Mijn werk is toegankelijk in de zin dat het herkenbaar is: het zijn gewone mensen die in gewone ruimtes dansen. Het is niet abstract. Daarmee bedoel ik dat een danser bij mij niet verwordt tot een lichamelijk instrument, een object dat beweging uitoefent. Daarvoor moet je naar iemand als Cunningham. Mijn werk gaat in de eerste plaats over mensen, dan pas over dans. Een danser is voor mij eerst mens en daarna pas danser. Het is juist de menselijkheid die ik in mijn dans wil terugzien, geen abstract vormgegeven beweging. Maar naast deze herkenbaarheid schuilt erin mijn werk ook een bepaald soort drang om de toeschouwer te activeren. Deze mag niet alles op een presenteerblaadje krijgen aangeboden. Mijn publiek krijgt dansende mensen te zien maar moet vervolgens zelf uitvogelen hoe die mensen zich tot elkaar verhouden. Ik laat de elementen van de combinaties zien, de toeschouwer mag deze al kijkend aan elkaar verbinden. Dit kost kracht en is niet voor iedereen weggelegd, daarvan ben ik me bewust. Ik wil een dialoog aangaan met het publiek, ik wil ze niet trakteren op een bord friet wat ze op hun schoot kunnen oppeuzelen. Ik wil ze bij mijn werk betrekken. Als mijn werk geslaagd is betekent dit dat mijn publiek tijdens de voorstelling zo nieuwsgierig is gemaakt dat het als vanzelf verbanden gaat leggen tussen de fragmenten die ze te zien krijgen, zij moeten als het ware in hun hoofd aan het combineren slaan. Ik heb niet de intentie om de toeschouwer langs een geijkt pad te laten lopen. Ik wil hem zover krijgen dat hij keuzes gaat maken, ik wil hem geen keuze opdringen. Ik ga ervan uit dat mijn publiek bestaat uit verstandige individuen die kunnen omgaan met de keuzevrijheid die ze in mijn dans krijgen aangemeten. Je bent een individu en heb je dienovereenkomstig te ontwikkelen. Dat zou een axioma kunnen zijn waarop al mijn voorstellingen zijn gebouwd. Maar tegelijkertijd weet ik dat er wel degelijk situaties bestaan waarin de menselijke keuzevrijheid aan banden wordt gelegd. Als je in een oorlogssituatie je vrouw en kinderen voor je eigen ogen vermoord ziet worden, en je krijgt vervolgens een geweer in je handen geduwd, dan weet je daar wel raad mee. Soms is de scheidslijn tussen redelijkheid en agressie heel klein. Voor mij persoonlijk is dat het tweede thema dat ik in mijn Sacre naar voren wil laten komen. De flinterdunne verbinding tussen de persoon die offert en degene die daar het slachtoffer van wordt. In een extreme situatie is de transformatie van prooi naar aanvaller en andersom zo gemaakt. Daarom zullen in mijn Sacre de dansers voortdurend van rol wisselen, afhankelijk van de gegeven situatie: de ene keer zijn ze opgejaagd wilt, de andere keer nemen ze het heft op brute wijze in handen. Alleen maar om de nabijheid van liefdevol en liefdeloos gedrag te verbeelden.´ |
||
9. Romantiek ´Ik ben een romanticus. Niet in de zin dat kunst en leven bij mij geheel samenvallen. Nogmaals, ik werk vanuit de afstand, en dat is een woord waar een echte romanticus alleen maar minachting voor kan opbrengen. Ik ben een romanticus in de zin dat ik vanuit de afstand van de observatie steeds bezig ben om zo dicht mogelijk in de buurt te komen van een totale vorm van kwetsbaarheid. Ik wil authentieke dans maken, geen versierde schijn. Om met Paul van Ostaijen te spreken: naakt wil ik zijn en opnieuw beginnen. Ook al weet ik dat het hier een onmogelijkheid betreft. Ieder kunstzinnig medium verhult, het toont door andere mogelijkheden niet te tonen. Dat is de tragiek van kunst. Als ik één woord op papier schrijf vermoord ik tegelijkertijd een heel leger van andere mogelijke woorden. Als kunstenaar kun je alleen iets zeggen door te verhullen. Het is mijn ambitie als choreograaf om zo dicht mogelijk bij het moment van deze verhulling te komen. Ik zoek naar een dansmethodiek die in staat is om een glimp te laten zien van wat er in mijn dans juist niet getoond wordt. Een romanticus is ook iemand die houdt van schoppen. Niets is heilig. Het kunstzinnige verleden bestaat bij de gratie van het verzet. Een romantisch kunstenaar waardeert het verleden, leert ervan, maar zet zich er vervolgens ook tegen af. Iedere romanticus haat epigonen in de kunst. Daar ben ik het mee eens. Ik wil niemand navolgen. In die zin heb ik ook geen idolen, alleen werk van andere choreografen dat ik waardeer. Vandaar dat ik ook geen angst heb om de zoveelste bewerking van de Sacre te maken. Want zelfs dit dansstuk is niet heilig. Ik zie het origineel meer als een stukje verleden dat gebruikt kan worden. Ik gebruik het door mezelf er tegen af te zetten, er iets nieuws mee te doen, iets wat past bij deze tijd.´ |
||
10. Toekomst ´Op dit moment zie ik twee lijnen de toekomst inlopen. Twee mogelijke ontwikkelingen. De eerste heb ik net al genoemd. Ik wil terug naar het maken van voorstellingen met mijn eigen handtekening eronder. Minder fragmentatie, minder toeval, minder keuzevrijheid voor de toeschouwer, kortom minder postmodernisme. Het probleem bij deze ontwikkeling is echter het gevaar van de predikant. Ik wil de mensen iets vertellen, maar ik wil niet voor ze preken. Ik kan niet tegen opgeheven en bevoogdende vingertjes. Ik heb een hekel aan dominees. Maar hoe vertel je zonder te prediken? Daar zal ik een manier voor moeten vinden. Ik wil mezelf niet vergelijken met de allergrootsten, alsjeblieft niet, maar feit is dat alle grote kunstenaars iets nieuws vertellen zonder met hun vingertjes te gaan zwaaien. Ze zijn in staat om datgene wat ze vertellen zo in te pakken dat het het niveau van het platte moralisme ontstijgt. Bach is daar het beste voorbeeld van. Hij maakt in en in religieuze muziek zonder de priester uit te hangen. Hij vertaalt een bepaald religieus gevoel, maar zegt nooit: dit is het enige gevoel wat telt. Hij blijft nederig. Je zou kunnen zeggen dat Bach de religie heeft vermenselijkt, in plaats van dat hij erop uit was om de mensen religieus te maken. Bach was geen missionaris. In mijn dans wil ik de mens centraal stellen zonder daar meteen een programma aan te koppelen. Ik wil de mens onderzoeken, in plaats van deze op een aantal dogma´s vast te pinnen. De andere lijn die ik op het oog heb is meer een voortzetting van wat ik de afgelopen paar jaar heb gedaan. Ik wil graag een keer de kunstzinnige intuïtie compleet de vrije loop laten. Ik zou graag voor een jaar lang geld krijgen zonder dat de geldschieter, noch ik, van te voren weet wat we gaan maken, niet om deze geldschieter in de maling te nemen, maar om het experiment met het toeval, de grabbelton en de kwetsbaarheid in alle eerlijkheid aan te gaan. Beginnen met niets en in een dialoog met mijn dansers stapje voor stapje een voorstelling ontwikkelen. Zonder vooropgezet plan. En dan kijken of er nog iets van kunst overblijft, of dat ik tot de conclusie moet komen dat kunst altijd een bepaald soort begrenzing nodig heeft. Ik wil naar de naaktheid, maar misschien is deze uiteindelijk niets meer dan een groot zwart gat waar je in verdrinkt. Dat zou ik graag willen onderzoeken.´ |
||
11. Rotterdam ´De eerste vijf jaar in Rotterdam dacht ik: wat doe ik hier? Rotterdam was toen, ik spreek over het begin van de jaren tachtig, een koude stad. Ik vind dat ie in de loop der tijd veel warmer geworden is. Maar na vijf jaar begon ik te aarden. Het is een cliché maar wel waar: Rotterdam is een eerlijke stad. Hij is hard, massief, moeilijk doordringbaar, maar als je eenmaal de diepte ervan hebt verkend, krijg je er ook iets voor terug. Rotterdam is geen stad die zijn hand meteen naar je uitsteekt. In het begin is er altijd het wantrouwen. Maar heb je eenmaal een beetje moeite gedaan dan slaat dit wantrouwen al heel snel om in een vorm van ware trouw. Rotterdam zal je niet belazeren. Het is geen oppervlakkige stad, wat ook niet kan als je op sommige plekken zo lelijk bent. Je moet die lelijkheid mooi gaan vinden, op dat moment weet je dat je je er thuis bent gaan voelen. Grappig en verademend aan Rotterdam is ook het feit dat zelfs kunstenaars er gewone mensen zijn. Niemand probeert in Rotterdam hip te zijn, zelfs kunstenaars niet.´ |
||
12. Luiheid ´Ja, ik ben aards lui. Van nature vind ik niets doen één van de fijnste dingen om te doen. Grappig als je daar mee afsluit. Piet Rogie als de luiaard. Het liefst wandel ik door een bos en drink ik daarna een goed Belgisch bier. Ik heb niet veel nodig om gelukkig te zijn. Maar tegelijkertijd ben ik een workaholic. Iemand die nooit stil zit, zeker niet zijn hoofd. Ik ben een workaholic die werkt vanuit de luiheid. Dat is het.´ |
||
| Michiel van Opstal |